Student: Vera Westdijk
Groep: 1/2
Vak/onderwerp: Rekenen
---
Voor de student:
Alle kinderen bij
de kringactiviteit
betrekken. Ook de
kinderen die vaak niet-taakgericht
gedrag vertonen.
Niet alleen die
kinderen aan het woord laten
die het snelste of
het hardst roepen. Vingers
op laten steken en
beurten geven.
Door veel vanuit de
kinderen te laten
komen. Ruimte vrij
laten voor spontaniteit.
---
Voor de kinderen:
Lesdoel: wat moeten zij na de les kunnen/kennen?
Aan het einde van
de les kunnen de kinderen met behulp van alledaagse materialen
voorwerpen meten en
daar het begrip groot, groter dan, klein en kleiner dan aangeven.
Tevens kunnen ze
aangeven hoe groot een voorwerp of afstand is; bijvoorbeeld de afstand
van de kast naar de
deur is 12 voetstappen ver.
Beginsituatie:
Ik verwacht dat de
kinderen dit een leuke les zullen vinden omdat het spannend is
voorwerpen te
meten.
Op het gebied van
organisatie moet ik ervoor zorgen dat ik op tafel een aantal voorwerpen
verzamel. Tevens
moet ik zorgen voor rietjes, stukken touw, linialen, potloden en
werkbladen.
Om mijn les te
kunnen volgen moeten de kinderen opletten en enthousiast meedoen met de
les.
De leerlingen die
niet-taakgericht gedrag vertonen staan snel op van hun stoel, kijken vaak om
zich heen, praten tegen hun buurman of buurvrouw, zitten omgedraaid etc.
Tijdens deze les
hoop ik hen genoeg te boeien zodat ze zich op de les kunnen blijven
concentreren en alleen met de les bezig zijn.
Lesverloop:
Inleiding ongeveer 5
minuten:
Ik zorg ervoor dat
alle kinderen een plaatsje zoeken in de kring.
Wanneer alle
kinderen op hun plaats zitten start ik de activiteit. Ik pak
een aantal
voorwerpen uit het klaslokaal en leg deze op tafel neer. Ik
vraag de kinderen
hoe je erachter kan komen wat de grootte van elk
voorwerp is? Wat
zou je kunnen gebruiken om een voorwerp te meten.
Ik bespreek met de
kinderen waarom het handig kan zijn om over
verschillende
meetinstrumenten te beschikken en waarom bepaalde
meetinstrumenten
heel bruikbaar zijn bij het ene voorwerp, maar bij
een ander voorwerp
weer helemaal niet. Ik probeer dit te verduidelijken
aan de hand van een
voorbeeld (bijvoorbeeld je kunt de lengte van een
sprong meten door
het maken van voetstappen, maar als je een potlood
wilt meten kun je
beter een ander meetinstrument nemen). Wie kan
uitleggen hoe dat
komt?
Kern ongeveer 15 minuten:
Om de
verwerkingsopdracht uit te leggen doe ik voor hoe het werkblad
werkt. Ik laat de
kinderen het werkblad zien. Als ik wil weten hoe groot
dit voorwerp is,
hoe kan ik dat dan het beste aanpakken? Kan het ook
anders? Waar moet
je op letten als je iets wilt meten?
Ter illustratie
laat ik een kind een voorwerp uit het lokaal nemen en dit
gaan we meten.
Allereerst tekenen we het voorwerp op het werkblad in
het eerst vakje.
Dan bespreek ik met de kinderen welk meetinstrument
je het beste kan
kiezen. Dit meetinstrument plakken we in het tweede
vakje. In het
derde vakje schrijven we hoe groot, lang, breed of hoog
het voorwerp is.
Ik vraag of iedereen
begrijpt hoe het werkblad werkt. Als ik merk dat
dit het geval is
verdeel ik de klas in groepjes van 4 kinderen. Ik geef elk
groepje een
werkblad en een potlood. Ik spreek met de kinderen af dat
de plakpotten op
deze tafel blijven staan en dat wanneer ze iets moeten
plakken ze dat op
de tafel doen.
---
Afsluiting ongeveer
5 minuten:
Alle kinderen
verzamelen zich weer in de kring. We bespreken de
werkbladen. Elk
groepje mag een voorwerp dat ze hebben gemeten
alten zien en
vertellen hoe ze dat gemeten hebben, waarmee en waarom
daarmee?
Ter afsluiting
vraag ik of de kinderen het leuk zouden vinden om mij te
meten. Ik laat de
kinderen de meetinstrumenten zelf kiezen. Op het
werkblad schrijven
we erbij hoe lang ik ben.
(Ik bespreek met
mijn mentor welke activiteit er na mijn les moet
plaatsvinden. En
indien nodig verzorg ik de overgang daar naartoe.
Betrokkenheid:
Ik zorg voor een
hoge betrokkenheid door de kinderen veel zelf te laten onderzoeken en uit te
laten vinden. Hierdoor hoop ik ook de kinderen die normaal gesproken
niet-taakgericht gedrag vertonen erbij betrokken te houden. Tevens ben ik zelf
heel enthousiast waardoor ik hoop dat de kinderen dat ook worden.
---
Werkvormen:
Ik kies voor de
volgende werkvormen:
Kringgesprek. Omdat
ik op deze manier alle kinderen dezelfde
informatie kan
geven. Bovendien leent deze
activiteit zich
voor de kring, omdat alle
kinderen kunnen
meedenken over het
probleem.
Werkblad. Omdat de
kinderen op deze manier zelf in hun
groepje aan de slag
kunnen en zelf kunnen
ondervinden hoe het
meten werkt en waar ze
op moeten letten.
Bespreken
resultaten.
Omdat ik op deze
manier kan achterhalen wat de
kinderen hebben
gemeten, hoe en waarmee
ze dat hebben
gedaan en wat het resultaat
daarvan is.
---
Organisatie
Welke mogelijke
knelpunten zijn
er?
Dat er groepjes zijn
die niet van start
komen.
Hoe los je deze op?
Door een goede
instructie en voorbeelden te
geven. Wanneer de
kinderen met hun
groepjes aan de
slag gaan loop ik door het
lokaal heen en help
ik de kinderen die dat
nodig hebben. Hierbij zal ik vooral goed letten
op de leerling die normaal gesproken vaak
niet-taakgericht gedrag vertonen.
Reflectie:
Door deze actieve
les waar de leerlingen veel actief bij betrokken werden merkte ik dat het iets
beter ging met de taakgerichtheid van de leerlingen die normaal gesproken vaak
niet-taakgericht gedrag vertonen. Het was leuk om te zien dat ook zij, of juist
zij, zo actief bezig waren en ze er plezier in hadden. Ik heb ze hier dan ook
veel complimenten op gegeven(naar de hele klas toe overigens!).
Geen opmerkingen:
Een reactie posten