dinsdag 24 april 2012

Toepassingskaart 5: Afstemmen in taaksituaties

Student: Vera Westdijk
Groep: 1/2
Vak/onderwerp: Rekenen
 ---
Voor de student:
Alle kinderen bij de kringactiviteit
betrekken. Ook de kinderen die vaak niet-taakgericht
gedrag vertonen.
Niet alleen die kinderen aan het woord laten
die het snelste of het hardst roepen. Vingers
op laten steken en beurten geven.
Door veel vanuit de kinderen te laten
komen. Ruimte vrij laten voor spontaniteit.
 ---
Voor de kinderen:
Lesdoel: wat moeten zij na de les kunnen/kennen?
Aan het einde van de les kunnen de kinderen met behulp van alledaagse materialen
voorwerpen meten en daar het begrip groot, groter dan, klein en kleiner dan aangeven.
Tevens kunnen ze aangeven hoe groot een voorwerp of afstand is; bijvoorbeeld de afstand
van de kast naar de deur is 12 voetstappen ver.
Beginsituatie: 
Ik verwacht dat de kinderen dit een leuke les zullen vinden omdat het spannend is
voorwerpen te meten. 
Op het gebied van organisatie moet ik ervoor zorgen dat ik op tafel een aantal voorwerpen
verzamel. Tevens moet ik zorgen voor rietjes, stukken touw, linialen, potloden en
werkbladen.
Om mijn les te kunnen volgen moeten de kinderen opletten en enthousiast meedoen met de
les.
De leerlingen die niet-taakgericht gedrag vertonen staan snel op van hun stoel, kijken vaak om zich heen, praten tegen hun buurman of buurvrouw, zitten omgedraaid etc.
Tijdens deze les hoop ik hen genoeg te boeien zodat ze zich op de les kunnen blijven concentreren en alleen met de les bezig zijn.
 ---
Lesverloop:
Inleiding ongeveer 5 minuten:
Ik zorg ervoor dat alle kinderen een plaatsje zoeken in de kring.
Wanneer alle kinderen op hun plaats zitten start ik de activiteit. Ik pak
een aantal voorwerpen uit het klaslokaal en leg deze op tafel neer. Ik
vraag de kinderen hoe je erachter kan komen wat de grootte van elk
voorwerp is? Wat zou je kunnen gebruiken om een voorwerp te meten.
Ik bespreek met de kinderen waarom het handig kan zijn om over
verschillende meetinstrumenten te beschikken en waarom bepaalde
meetinstrumenten heel bruikbaar zijn bij het ene voorwerp, maar bij
een ander voorwerp weer helemaal niet. Ik probeer dit te verduidelijken
aan de hand van een voorbeeld (bijvoorbeeld je kunt de lengte van een
sprong meten door het maken van voetstappen, maar als je een potlood
wilt meten kun je beter een ander meetinstrument nemen). Wie kan
uitleggen hoe dat komt?
 ---
Kern ongeveer 15 minuten:
Om de verwerkingsopdracht uit te leggen doe ik voor hoe het werkblad
werkt. Ik laat de kinderen het werkblad zien. Als ik wil weten hoe groot
dit voorwerp is, hoe kan ik dat dan het beste aanpakken? Kan het ook
anders? Waar moet je op letten als je iets wilt meten?
Ter illustratie laat ik een kind een voorwerp uit het lokaal nemen en dit
gaan we meten. Allereerst tekenen we het voorwerp op het werkblad in
het eerst vakje. Dan bespreek ik met de kinderen welk meetinstrument
je het beste kan kiezen. Dit meetinstrument plakken we in het tweede
vakje.  In het derde vakje schrijven we hoe groot, lang, breed of hoog
het voorwerp is.
Ik vraag of iedereen begrijpt hoe het werkblad werkt. Als ik merk dat
dit het geval is verdeel ik de klas in groepjes van 4 kinderen. Ik geef elk
groepje een werkblad en een potlood. Ik spreek met de kinderen af dat
de plakpotten op deze tafel blijven staan en dat wanneer ze iets moeten
plakken ze dat op de tafel doen.
--- 
Afsluiting ongeveer 5 minuten:
Alle kinderen verzamelen zich weer in de kring. We bespreken de
werkbladen. Elk groepje mag een voorwerp dat ze hebben gemeten
alten zien en vertellen hoe ze dat gemeten hebben, waarmee en waarom
daarmee?
Ter afsluiting vraag ik of de kinderen het leuk zouden vinden om mij te
meten. Ik laat de kinderen de meetinstrumenten zelf kiezen. Op het
werkblad schrijven we erbij hoe lang ik ben.
(Ik bespreek met mijn mentor welke activiteit er na mijn les moet
plaatsvinden. En indien nodig verzorg ik de overgang daar naartoe.
 ---
Betrokkenheid:
Ik zorg voor een hoge betrokkenheid door de kinderen veel zelf te laten onderzoeken en uit te laten vinden. Hierdoor hoop ik ook de kinderen die normaal gesproken niet-taakgericht gedrag vertonen erbij betrokken te houden. Tevens ben ik zelf heel enthousiast waardoor ik hoop dat de kinderen dat ook worden.
--- 
Werkvormen:
Ik kies voor de volgende werkvormen:
Kringgesprek. Omdat ik op deze manier alle kinderen dezelfde
informatie kan geven. Bovendien leent deze
activiteit zich voor de kring, omdat alle
kinderen kunnen meedenken over het
probleem.
 ---
Werkblad. Omdat de kinderen op deze manier zelf in hun
groepje aan de slag kunnen en zelf kunnen
ondervinden hoe het meten werkt en waar ze
op moeten letten.
 ---
Bespreken resultaten.
Omdat ik op deze manier kan achterhalen wat de
kinderen hebben gemeten, hoe en waarmee
ze dat hebben gedaan en wat het resultaat
daarvan is.
--- 
Organisatie
Welke mogelijke knelpunten zijn er?                  
Dat er groepjes zijn die niet van start
komen.
Hoe los je deze op?
Door een goede instructie en voorbeelden te
geven. Wanneer de kinderen met hun
groepjes aan de slag gaan loop ik door het
lokaal heen en help ik de kinderen die dat
nodig hebben. Hierbij zal ik vooral goed letten
op de leerling die normaal gesproken vaak
niet-taakgericht gedrag vertonen.
 ---
Reflectie:
Door deze actieve les waar de leerlingen veel actief bij betrokken werden merkte ik dat het iets beter ging met de taakgerichtheid van de leerlingen die normaal gesproken vaak niet-taakgericht gedrag vertonen. Het was leuk om te zien dat ook zij, of juist zij, zo actief bezig waren en ze er plezier in hadden. Ik heb ze hier dan ook veel complimenten op gegeven(naar de hele klas toe overigens!).






Geen opmerkingen:

Een reactie posten