dinsdag 24 april 2012

Toepassingskaarten Diversiteit


Toepassingskaarten (1 t/m 8)
Hieronder zijn de uitwerkingen van de toepassingskaarten te zien.
Klik voor een totaal overzicht rechts bij blog archief op '2012'.
U krijgt dan alle toepassingskaarten onder elkaar te zien in het menu rechts kunt u deze los van elkaar aanklikken en bekijken.
Mocht er een toepassingskaart niet tussen komen te staan dan kunt u dus in het menu rechts de toepassingskaart alsnog aanklikken die niet getoond wordt. 
De reflecties van de themabijeenkomsten zijn helemaal onderaan te vinden.
Diversiteit

Toepassingskaart 1: Aanleggen digitale themamap

http://veradiversiteit.blogspot.com/

Hieronder is mijn checklist te zien.


Toepassingskaart 2: Interview met mentor


SFEER
1. Ben je tevreden over de sfeer in jouw groep?
Over de sfeer in de groep ben ik niet helemaal te spreken.
2. Waarop baseer je dit oordeel?
Er zijn een aantal kinderen die in deze groep overheersen. Vooral de wat stillere kinderen en de jongere kinderen kijken hier tegen op. Ze durven zelf niet meer zo goed iets te vertellen of te doen. Ze worden te afwachtend.Er zijn andere kinderen die er juist erg om gaan lachen en daar gaan die overheersende kinderen op reageren door de clown uit te hangen.
3. Indien de groepssfeer als positief ervaren wordt, hoe houd je de
sfeer in stand? Indien je de sfeer op het ogenblik niet als positief ziet, welke actie onderneem je om de sfeer te verbeteren?
D.m.v. de kanjertraining te gebruiken. Welke pet heb je nu op? Hoe denk je dat dit voor een ander kind is?
4. Welke kinderen kunnen op den duur een negatieve invloed krijgen op de sfeer in de klas?
De kinderen die de baas spelen en het hoogste woord voeren. Deze kinderen beinvloeden de andere kinderen op een negatieve manier.
---
RELATIE MET DE KINDEREN
5. Met welke kinderen heb jij een goede relatie?
Ik wil zeker met alle kinderen een goede relatie opbouwen om ervoor te zorgen dat alle kinderen zich veilig en vertrouwd voelen. Dat alle kinderen dezelfde kans krijgen om zich te ontwikkelen.
6. Met welke kinderen laat die relatie te wensen over? Waarom?
Er zijn momenten dat je kinderen moet wijzen op hun eigen gedrag en wat dat teweeg brengt bij andere kinderen.Aangesproken worden op je gedrag is niet leuk, maar wel leerzaam voor een volgende keer.
---
RELATIES ONDERLING
7. Welke kinderen gaan plezierig met elkaar om?
Alle kinderen hebben wel voorkeuren voor een vriendje of een vriendinnetje.Kinderen die elkaar goed aanvoelen kunnen goed met elkaar omgaan. Soms sta je versteld van de kinderen met wie ze kunnen spelen en dat het zo goed gaat. Een haantje de voorste kan juist heel lief zijn tegen een jongste kleuter!
8. Welke kinderen hebben voortdurend of vaak problemen met elkaar?
Kinderen die hetzelfde gedrag vertonen door niet voor elkaar onder te willen doen.
9. Is er sprake van duidelijke groepsvorming in de groep? Zo ja, hoe is de relatie tussen die groepen?
Nee er is geen groepsvorming in deze groep.
10. Welke kinderen zijn duidelijk eenlingen in de groep? Hoe proberen zij in de groep te komen?
 Je merkt vaak dat vooral de jongste kleuters nog hun plekje moeten vinden in de groep.
---
DE GROEP
11. Met welke omgangsregels heeft de groep geen moeite?
Elkaar helpen, vooral de oudsten die de jongsten helpen. De 3 schoolregels. Je moet ze wel iedere keer herhalen, maar ze weten het heel goed.
12.Met welke omgangsregels heeft de groep juist wel moeite?
Op hun beurt wachten en luisteren naar elkaar.
13. Hoe is de groep als jij er niet bent?
Als je er even niet bent zijn ze gelijk de regels en afspraken vergeten.
14. Hoe gaat de groep met elkaar om in de pauze?
Kinderen spelen buiten met elkaar. Soms gaat dit goed en soms ook niet.
15. Hoeveel tijd besteed je ongeveer in één week aan sociaal-emotionele activiteiten?
Er staat 1x per week de kanjertraining o het rooster voor ong. 20 min.
16. Zijn de activiteiten van tevoren gepland of ontstaan die spontaan naar aanleiding van gebeurtenissen of incidenten in de klas?
Tijdens de geplande activiteit op het rooster is er een geplande activiteit, maar er zijn zoveel andere momenten waar je dit ook spontaan tegenkomt en daar op reageert.
---
ALGEMENE LEERPRESTATIES (zie bijv.resultaten van leerlingvolgsysteem)
17. Hoeveel kinderen zitten er in de klas? (bijcombinatieklassen de verdeling erbij zetten)
Het is een groep 1 /2.
Er zijn 15 oudste kleuters en op dit moment 16 jongste kleuters.
18. Hoe is het algemene ontwikkelingsniveau in de groep?
Het ontwikkelingsniveau is per kind heel verschillend. De gemiddelde groep ligt op nivo met uitschieters naar boven en naar beneden.
19. Hoeveel kinderen presteren beduidend boven dat niveau?
In deze groep is dat er 1 die er echt bovenuit schiet.
---
PABO 3 – periode 3
20. Hoeveel kinderen presteren beduidend onder dat
niveau?
Er zijn op dit moment 3 kinderen die beneden het nivo presteren.
21. Hoe is daarbij de verhouding tussen de prestaties bij (begrijpend) lezen,
spelling en rekenen? (alleen voor groep 3 en hoger)
N.v.t.
---
ORGANISATIE
22. Zijn de kinderen in staat tot zelfstandig werken? Ben je daar tevreden over?
Ook kleuters zijn in staat om zelfstandig te werken. Dit is een leerproces wat in de kleuterbouw in gang gezet wordt. Hier moet je dus constant aan werken en merk je steeds meer dat het lukt.
23. Ben jij in staat de zwakkere leerlingen tijdens het zelfstandig werken adequaat te begeleiden? Hoe is die hulp georganiseerd?
Bij ons op schoolo doen we dat niet alleen voor je eigen groep. We werken met groepsplannen voor de hele kleuterbouw. We hebben kleine kringen waar kinderen die ergens moeite mee hebben uit alle 3 de kleutergroepen bij elkaar in de kleine kring. In deze kleine kring wordt aangeboden waar die kinderen extra hulp / begeleiding bij nodig hebben.
24. Zijn er al kinderen in de groep met een eigen leerlijn?
Hoe worden die begeleid? Is die begeleiding voldoende in jouw ogen? Er is 1 kind die voor het leesonderwijs al meedraait met groep 3. Hij heeft zijn eigen leerlijn. Voor meer uitdaging zie de uitleg van de kleine kringen ook voor deze kinderen.
25. Hoe worden de leerlingen die erg snel zijn en erg goed presteren opgevangen? Zijn jij en de kinderen daar tevreden over?
Ja , ze worden op hun nivo zoveel mogelijk uitgedaagd.
---
OvERZICHT SPECIFIEKE BEHOEFTEN
26. Welke leerlingen in de groep hebben specifieke behoeften? Op welke gebieden? (leerprestaties, gedrag / werkhouding).
Er zijn verschillende geboieden waar kinderen extra ondersteuning kringen in de kleine kringen voor leerprestaties bij het rekenen, taal/leesontwikkeling, motoriek en werkhouding.
---
INDIVIDUELE LEERPRESTATIES
27. Op welk(e) leerstof gebied(en) hebben die kinderen behoefte aan een specifieke aanpak?
Zie hierboven.
28. Is er bij sommige leerlingen een duidelijk verschil in klassenprestaties en de scores op de screeningsonderzoeken
(bijv. leerlingvolgsysteem)? Heb jij daar een verklaring voor?
Ja alle kinderen ontwikkelen zich op hun eigen manier. De een ontwuikkelt zich eerder in rekenen, de ander motorisch. Je ziet vooral bij kleuters sprongen in hun ontwikkeling. Het hangt ook af van de bagage die ze in hun eigen rugzakje meebrengen naar school.
29. Zijn de zwakkere leerlingen nog gemakkelijk door jou te motiveren? (per kind nalopen)
Zoveel mogelijk. Een van de kinderen heeft moeite met de leerprestaties en ontwikkelt zich bijna tot niet.
30. Hoe ervaren die leerlingen hun leerproblemen?
In de kleuterbouw hebben de kleuters dat nog niet zo in de gaten. Er wordt ook nog veel gespeeld.
31. Heb je voldoende en adequate hulpmaterialen voor handen om deze kinderen goed te kunnen helpen?
Zoveel mogelijk, maar soms heb je overleg met je collega’s nodig of met de IB-er. Als daar dan ook nog te weinig ontewikkeling is te zien worden externen van buiten de school ingeschakeld.
---
GEDRAG EN WERKHOUDING
32. Welke aanpak heb je voor leerlingen met gedrags/werkhoudingsprobemen?
We gebruiken de EGGO-kaart en de Pravoo-map van Luc Koning met tips om te gebruiken.
33. Ben je tevreden over die aanpak?
Ja.
---
OUDERS
34. Hoe ervaren de ouders van leerlingen met specifieke behoeften de problemen van hun kind op school?
Dat is per ouders verschillend. Dit hangt af van de ernst van de problemen en hoe ouders daar zelf in staan en dit een plekje kunnen geven.
---
LEERLINGEN MET SPECIFIEKE BEHOEFTEN
35.Wie van die kinderen ervaar je als erg zwaar?
Een van de kinderen die je moeilijk kan pakken met de stof. Hoe je het ook inpakt.
36. Kun je in het kort omschrijven wat het probleem is?
Teveel prikkels, te weinig concentratie.
37. Is er voor die leerling(en) een adequaat handelingsplan voor in
de klas aanwezig? Zo ja, hoe ziet dat handelingsplan eruit? Zo nee, waarom niet?
We zijn nog in overleg met de IB-er hierover. In eerste instantyie werken we niet met een individueel handelingsplan. We werken met de groepsplannen.
38.Komt jouw lesgeven of lesplezier door die leerling(en) onder druk te staan?
Nee, het is iedere dag een uitdaging om het voor alle kinderen, veilig, vertrouwd en uitdagend te maken. Voor ieder op eigen niveau.
39.Ervaar je het aantal leerlingen met specifieke behoeften in de klas als te zwaar om adequaat les te geven?
Als er teveel kinderen met specifieke problemen is dit wel extra zwaar. Vooral de tijd die het kost om alles vast te leggen wat je gedaan hebt en wat je gaat doen.
40. Vind je wel dat die kinderen op jouw school of in jouw
klas thuis horen?
Zolang dat voor een leerkracht te behappen is wel . Wat is er nu fijner voor een kind om in zijn of haar vertrouwde omgeving te kunnen blijven?
---
DE INTERN BEGELEIDER (IB-er)
41. Welke taak / rol heeft de IB-erhier op school?
Ze ondersteunt de leerkracht. Altijd de mogelijk hieid om te bespreken, te overleggen en mee te denken, te observeren.
42. Voel je je als groepsleerkracht voldoende ondersteund? 
Ja zeker!           

Toepassingskaart 3: Groepsplannen en individuele handelingsplannen


Groepsplan:
Schooljaar:
Periode:                                Groep:                                   Leerkracht:

Doelen, leerlijnen, materiaal en aanpak voor de komende periode; het basisaanbod
Observaties/ evaluatie:




























Gebruikte toetsen:


















Aanpak per cluster van onderwijsbehoeften.
Wie heeft wat nodig?:
Hoe ga ik na of dit werkt?
Observaties/ evaluatie:
Competentie op het gebied van
Groepsdoelen:




















Minimale resultaten die gehaald moeten worden voor de toetsen.





Leerling
Resultaten/evaluatie






























Groepsdoelen en drijfvermogen:














Resultaten die gehaald moeten worden voor de toetsen.




Leerling
Resultaten/ evaluatie




















Groepsdoelen en verdieping:














Resultaten die gehaald moeten worden voor de toetsen.




Leerling
Resultaten/ evaluatie




















Aangepaste doelen(en eventueel drijfvermogen):










Resultaten die gehaald worden voor de toetsen.



Leerling
Resultaten/ evaluatie










Leerstijl





Relatie
Matchen

Stretchen




Autonomie
Matchen

Stretchen




Toepassingskaart 4: Oudergesprekken


Toevallige gesprekjes:
1: ’s Ochtends bij binnenkomst kwam een moeder naar mijn mentor toe om te zeggen dat haar kind ziek was, zij vertelde even kort wat er aan de hand was en mijn mentor reageerde erg begripvol en wenste haar tot slot beterschap.
Ik vond dat mijn mentor dit goed deed en ik zou het op dezelfde manier hebben gedaan!
2: ’s Ochtends bij binnenkomst vertelde een moeder aan mijn mentor dat haar zoontje erg verkouden was en of mijn mentor er tijdens de gymles een beetje op wilde letten omdat hij veel hoest. Mijn mentor reageerde hier goed op vond ik, door te zeggen dat ze het vervelend vond en er zeker op zou letten. Dit zou ik ook zo hebben gedaan.
3: ’s Middags zouden de kleuters gaan zwemmen en stonden er moeders in de klas te wachten die zouden rijden. Mijn mentor vertelde even kort wat er moest gebeuren en deelde toen de groepjes in. Één moeder had haar jongere zoontje ook mee. Mijn mentor wist hier niet van dus vroeg hoeveel kinderen zij nog in de auto kwijt kon(ze was uit gegaan van 3 kinderen). Nu dat andere kindje ook mee ging konden er nog maar 2 mee. Mijn mentor reageerde hierop dat ze dit niet wist en moest nu snel een oplossing bedenken. Zij vroeg aan een andere moeder of er bij haar toevallig meer kinderen in de auto konden, dit kon gelukkig. Ik vond dat mijn mentor dit goed oploste, zij schakelde snel om. Ik zou dit ook op deze manier op willen lossen.
 ---
Gepland gesprek:
De 10-minuten gesprekken waren net geweest voor ik hier stage kwam lopen. Wel heb ik bij een intake-gesprek gezeten. Dit was een gesprek met de andere leerkracht van deze groep, niet mijn mentor zelf. De moeder van deze kleuter en de kleuter zelf waren hierbij aanwezig.
Ik vond dat de leerkracht zich goed op het gesprek voor had bereidt. De ouders moesten vooraf een vragenlijst invullen en deze hield ze er bij(deze vragenlijst had ze voorafgaande aan het gesprek doorgelezen). De leerkracht vertelde hoe het kind op school functioneert en of er dingen zijn geweest die opvielen. Daarna vroeg ze aan de moeder hoe het kind thuis is, of er problemen of bijzonderheden zijn en hoe ze het kind thuis vindt na een schooldag.
Ik vond dat de leerkracht het gesprek goed heeft gevoerd. Ze luisterde aandachtig naar de moeder en vertelde duidelijk hoe het op school is gegaan. Wanneer de moeder vragen had, beantwoordde ze deze duidelijk.
Ik zou een intake-gesprek op een zelfde manier willen voeren. Waarin zowel de school- als de thuissituatie aan bod komen en zowel moeder als leerkracht dingen kunnen vertellen en vragen.
 ---
Ook heb ik zelf een gepland gesprek gevoeld. Een leerling moest ’s middags ontzettend huilen en had heel erge buikpijn. We wisten niet goed waar het door kwam, want hij vertelde ook iets over touwen en vastbinden tijdens het buiten spelen. Omdat ik hier niet erg gerust op was heb ik de volgende dag na schooltijd zijn moeder nog even gebeld om te vragen hoe het met hem ging. Hij had gewoon een buikgriepje en ze stelde het erg op prijs dat ik even belde.

Toepassingskaart 5: Afstemmen in taaksituaties

Student: Vera Westdijk
Groep: 1/2
Vak/onderwerp: Rekenen
 ---
Voor de student:
Alle kinderen bij de kringactiviteit
betrekken. Ook de kinderen die vaak niet-taakgericht
gedrag vertonen.
Niet alleen die kinderen aan het woord laten
die het snelste of het hardst roepen. Vingers
op laten steken en beurten geven.
Door veel vanuit de kinderen te laten
komen. Ruimte vrij laten voor spontaniteit.
 ---
Voor de kinderen:
Lesdoel: wat moeten zij na de les kunnen/kennen?
Aan het einde van de les kunnen de kinderen met behulp van alledaagse materialen
voorwerpen meten en daar het begrip groot, groter dan, klein en kleiner dan aangeven.
Tevens kunnen ze aangeven hoe groot een voorwerp of afstand is; bijvoorbeeld de afstand
van de kast naar de deur is 12 voetstappen ver.
Beginsituatie: 
Ik verwacht dat de kinderen dit een leuke les zullen vinden omdat het spannend is
voorwerpen te meten. 
Op het gebied van organisatie moet ik ervoor zorgen dat ik op tafel een aantal voorwerpen
verzamel. Tevens moet ik zorgen voor rietjes, stukken touw, linialen, potloden en
werkbladen.
Om mijn les te kunnen volgen moeten de kinderen opletten en enthousiast meedoen met de
les.
De leerlingen die niet-taakgericht gedrag vertonen staan snel op van hun stoel, kijken vaak om zich heen, praten tegen hun buurman of buurvrouw, zitten omgedraaid etc.
Tijdens deze les hoop ik hen genoeg te boeien zodat ze zich op de les kunnen blijven concentreren en alleen met de les bezig zijn.
 ---
Lesverloop:
Inleiding ongeveer 5 minuten:
Ik zorg ervoor dat alle kinderen een plaatsje zoeken in de kring.
Wanneer alle kinderen op hun plaats zitten start ik de activiteit. Ik pak
een aantal voorwerpen uit het klaslokaal en leg deze op tafel neer. Ik
vraag de kinderen hoe je erachter kan komen wat de grootte van elk
voorwerp is? Wat zou je kunnen gebruiken om een voorwerp te meten.
Ik bespreek met de kinderen waarom het handig kan zijn om over
verschillende meetinstrumenten te beschikken en waarom bepaalde
meetinstrumenten heel bruikbaar zijn bij het ene voorwerp, maar bij
een ander voorwerp weer helemaal niet. Ik probeer dit te verduidelijken
aan de hand van een voorbeeld (bijvoorbeeld je kunt de lengte van een
sprong meten door het maken van voetstappen, maar als je een potlood
wilt meten kun je beter een ander meetinstrument nemen). Wie kan
uitleggen hoe dat komt?
 ---
Kern ongeveer 15 minuten:
Om de verwerkingsopdracht uit te leggen doe ik voor hoe het werkblad
werkt. Ik laat de kinderen het werkblad zien. Als ik wil weten hoe groot
dit voorwerp is, hoe kan ik dat dan het beste aanpakken? Kan het ook
anders? Waar moet je op letten als je iets wilt meten?
Ter illustratie laat ik een kind een voorwerp uit het lokaal nemen en dit
gaan we meten. Allereerst tekenen we het voorwerp op het werkblad in
het eerst vakje. Dan bespreek ik met de kinderen welk meetinstrument
je het beste kan kiezen. Dit meetinstrument plakken we in het tweede
vakje.  In het derde vakje schrijven we hoe groot, lang, breed of hoog
het voorwerp is.
Ik vraag of iedereen begrijpt hoe het werkblad werkt. Als ik merk dat
dit het geval is verdeel ik de klas in groepjes van 4 kinderen. Ik geef elk
groepje een werkblad en een potlood. Ik spreek met de kinderen af dat
de plakpotten op deze tafel blijven staan en dat wanneer ze iets moeten
plakken ze dat op de tafel doen.
--- 
Afsluiting ongeveer 5 minuten:
Alle kinderen verzamelen zich weer in de kring. We bespreken de
werkbladen. Elk groepje mag een voorwerp dat ze hebben gemeten
alten zien en vertellen hoe ze dat gemeten hebben, waarmee en waarom
daarmee?
Ter afsluiting vraag ik of de kinderen het leuk zouden vinden om mij te
meten. Ik laat de kinderen de meetinstrumenten zelf kiezen. Op het
werkblad schrijven we erbij hoe lang ik ben.
(Ik bespreek met mijn mentor welke activiteit er na mijn les moet
plaatsvinden. En indien nodig verzorg ik de overgang daar naartoe.
 ---
Betrokkenheid:
Ik zorg voor een hoge betrokkenheid door de kinderen veel zelf te laten onderzoeken en uit te laten vinden. Hierdoor hoop ik ook de kinderen die normaal gesproken niet-taakgericht gedrag vertonen erbij betrokken te houden. Tevens ben ik zelf heel enthousiast waardoor ik hoop dat de kinderen dat ook worden.
--- 
Werkvormen:
Ik kies voor de volgende werkvormen:
Kringgesprek. Omdat ik op deze manier alle kinderen dezelfde
informatie kan geven. Bovendien leent deze
activiteit zich voor de kring, omdat alle
kinderen kunnen meedenken over het
probleem.
 ---
Werkblad. Omdat de kinderen op deze manier zelf in hun
groepje aan de slag kunnen en zelf kunnen
ondervinden hoe het meten werkt en waar ze
op moeten letten.
 ---
Bespreken resultaten.
Omdat ik op deze manier kan achterhalen wat de
kinderen hebben gemeten, hoe en waarmee
ze dat hebben gedaan en wat het resultaat
daarvan is.
--- 
Organisatie
Welke mogelijke knelpunten zijn er?                  
Dat er groepjes zijn die niet van start
komen.
Hoe los je deze op?
Door een goede instructie en voorbeelden te
geven. Wanneer de kinderen met hun
groepjes aan de slag gaan loop ik door het
lokaal heen en help ik de kinderen die dat
nodig hebben. Hierbij zal ik vooral goed letten
op de leerling die normaal gesproken vaak
niet-taakgericht gedrag vertonen.
 ---
Reflectie:
Door deze actieve les waar de leerlingen veel actief bij betrokken werden merkte ik dat het iets beter ging met de taakgerichtheid van de leerlingen die normaal gesproken vaak niet-taakgericht gedrag vertonen. Het was leuk om te zien dat ook zij, of juist zij, zo actief bezig waren en ze er plezier in hadden. Ik heb ze hier dan ook veel complimenten op gegeven(naar de hele klas toe overigens!).






Toepassingskaart 6: Observatie leerproblemen


In samenspraak met mijn mentor heb ik voor deze opdracht leerling E. uitgekozen. Zij vertoont niet-taakgericht gedrag. E. is snel afgeleidt en met veel andere dingen bezig tijdens bijvoorbeeld de kring of het spelen/werken. Ze draait zich om, stelt vragen over heel andere dingen dan waar ze op dat moment mee bezig is, praat met haar buurman of buurvrouw over andere dingen etc.
 ---
Tijdens de kring heb ik haar geobserveerd a.d.h.v. de tijdsteekproef. Het volgende kwam er uit:
T: 32, 3%
D: 11, 8%
CM: 14,7%
CL: 2,9%
O: 38,2%
 ---
Tijdens het spelen/werken kwam dit er uit:
T: 28%
D: 32%
CM: 12%
CL: 8%
O: 20%
 ---
Aanpak: samen met mijn mentor zijn we er aan gaan werken. We hebben haar pompom plaatjes gericht op de werkhouding gegeven die haar helpen stap voor stap aan het werk te gaan.
---
          







---
Ik ben daar op mijn stagedagen mee aan de slag gegaan en mijn mentor ook op de andere dagen.
3 weken later heb ik de tijdsteekproef opnieuw gedaan tijdens het spelen werken.
Daar kwam het volgende uit:
T: 81,25%
D: 6,25%
CM: 6,25%
DL: 3,13%
O: 3,12%
 ---
Er is dus absoluut verandering te zien in haar gedrag, ze is veel meer taakgericht dan eerst. Ze heeft kennelijk veel steun aan de kaartjes van pompom. Deze manier van begeleiding, waarin we haar eerst nog hebben geholpen met de kaartjes aan het werk te gaan maar zij dit nu bijna helemaal zelf doet, helpt haar gericht aan het werk te gaan!

Toepassingskaart 7: Opstellen van individueel handelingsplan

Handelingsplan Spel- en werkhouding. 

---


Begeleidingsplan
t.b.v. groep 1 / 2 



Leerling  : E.

Groep              : 1/2a
Leerkracht       : J.

Ingangsdatum :
Opgesteld door IB-er / leerkracht / anders

Subgroep    :

1   :
2   :
3   :
4   :
5   :



1   Aanmeldingsreden         :
0        Sociale ontwikkeling
0        Spel- en werkhouding
0        Motoriek
0        Spraak- en taalactiviteiten
0        Rekenactiviteiten
     0        Cognitieve ontwikkeling

Omschrijving probleem:
E. is snel afgeleid en heeft weinig concentratie. Ze is met heel veel andere dingen bezig, staat snel op, praat tussendoor etc.

2   Te bereiken doelstellingen:
E. meer gericht bezig laten zijn tijdens kring- en werkmomenten.

Toelichting:
E. moet proberen te leren om tijdens kring- en werkmomenten zich te richten op deze activiteit. Dit wil zeggen dat ze niet zoveel van haar stoeltje afkomt en bezig is met de activiteit van dat moment, dat ze weet waar het over gaat in de kring etc.


3   Uit te voeren activiteiten:
E. positief benaderen.

Toelichting:
Door E. positief te benaderen zal zij misschien meer interesse tonen voor activiteiten. Ook zal zij zich wellicht veiliger en meer gewaardeerd voelt, dit heeft hopelijk een positieve invloed op haar gedrag en werkhouding.

4   Organisatie:
Door E. onder andere verantwoordelijke taken te geven hopen we dat haar gedrag positief beïnvloed wordt. Op deze manier, wanneer ze dit goed doet bijvoorbeeld, kun je haar belonen en positief benaderen.
Ook moeten we proberen haar op een positieve manier in het algemeen te benaderen. Tijdens de kring en tijdens andere activiteiten.



5   Evaluatie

Datum

Middelen / materialen
Geen.

Organisatie: zie hierboven.

Wie
Stagiair en leerkrachten van 1/2a.
---

Handelingsplan rekenen.

---




Begeleidingsplan
t.b.v. groep 1 / 2



Leerling  :

Groep              : 1/2
Leerkracht       :

Ingangsdatum : 3 april 2012
Opgesteld door IB-er / leerkracht / anders

Subgroep    :

1   :
2   :
3   :
4   :
5   :


1   Aanmeldingsreden         :

0        Sociale ontwikkeling
0        Spel- en werkhouding
0        Motoriek
0        Spraak- en taalactiviteiten
0        Rekenactiviteiten
0        Cognitieve ontwikkeling


Omschrijving probleem :
De leerling heeft moeite met
het automatiseren van de
telrij 1-10.

2   Te bereiken doelstellingen
Het automatiseren van de telrij 1-10.

Toelichting
Wanneer dit handelingsplan wordt geëvalueerd kan de leerling synchroon tellen
van 1 tot en met 10.






3   Uit te voeren activiteiten
Gedurende een periode van 6 weken, 3 keer per week tel oefeningen/spelletjes met de leerling uitvoeren.

Toelichting
Er is een rekenkast met een uitgebreid aanbod aan rekenactiviteiten(spelletjes, oefeningen).
Hieruit kun je 3 keer per week een tel oefening/spelletje pakken en dit samen met hem uitvoeren.





4   Organisatie

Zie onder

5   Evaluatie

Datum 22 mei 2012


Middelen / materialen

Organisatie

Wie

Rekenactiviteiten uit de rekenkast.

Zorgen dat er een wisselend aanbod voor de leerling is.









Leerkracht, onderwijsassistent en stagiair